In de vroege ochtend lag St. Nikolai nog half te slapen. Dunne slierten mist hingen boven de weilanden, en de klokken van de kleine kerk sloegen zacht tegen de stilte. Met stevige schoenen en een rugzak vol brood en water begon ik aan de wandeling, weg van het dorp, richting de bergen van de Ossiacher Tauern die als blauwe schaduwen aan de horizon lagen.
Het pad kronkelde eerst langs boerderijen, waar koeien loom hun kop ophieven en de geur van nat gras in de lucht hing. Langzaam werd het stiller. De stemmen van het dal verdwenen en maakten plaats voor het ritmische geluid van mijn stappen en het ruisen van een beek die zich een weg naar beneden zocht. Hoe hoger ik kwam, hoe ruiger het landschap werd. De bomen stonden dichter op elkaar, sparren en lariksen die de zon in smalle stralen doorlieten.
In de Tauern veranderde alles. De lucht werd koeler en helderder, alsof elke ademteug schoner was dan de vorige. Rotsen staken scherp af tegen de hemel en hier en daar lag nog sneeuw in beschutte kommen, zelfs in de zomer. Ik ging zitten op een warme steen, keek uit over het dal en dacht aan hoe klein St. Nikolai daar beneden moest liggen, een handvol daken in een zee van groen.
Tijdens het verder lopen voelde de tijd anders. Elke bocht in het pad bracht een nieuw uitzicht: een alpenweide vol bloemen, een adelaar die cirkelde boven de bergkam Vermoeidheid kwam, maar ook een rustige tevredenheid, alsof de bergen met elke stap iets van hun stilte doorgaven.
Tegen de avond daalde ik weer af. De schaduwen werden langer en het licht warmer. Toen St.Nikolai weer in zicht kwam en ik toe was aan een verfrissende bier bij de Wirt van Nikolaierhaus, met rook die uit schoorstenen opsteeg verse pizza’s ontspannen sfeer en altijd een goede reden om nog een rondje te blijven, het voelde het alsof ik terugkeerde van een lange reis, hoewel het maar één dag was geweest.